Haiku als waarheid

Moet een haiku echt zijn gebeurd? Is een haiku pas een haiku als hij beschrijft wat iemand werkelijk meemaakte? Het zijn boeiende vragen om te bestuderen in het lab van de HAIKUFAB. Hiermee komen we immers op het interessante terrein van de poëtische waarheid en het verschil tussen echt gebeurd en waar. Of het verschil tussen historisch juist of mogelijk juist.

door Geert De Kockere

Dat onderwerp komt ook heel prominent voor in de Masterproef die mijn dochter Jana maakte bij het afstuderen als Master in de Wijsbegeerte: Een genealogie van ‘waarheid’ – Hoe de Waarheid veranderde in waarheden. Ik geef hier daarom graag een excerpt uit haar Masterproef, met name het deel dat daarover handelt.

 

EXCERPT MASTERPROEF JANA DE KOCKERE

Een van de strijdtonelen waar om ‘waarheid’ wordt gevochten, is het spreken over de waarde van poëzie. Meer dan eens wordt aan poëzie ook het spreken van waarheid toegedicht, maar de waarheid die poëzie bezit, zou van een andere aard zijn dan feitelijke waarheden: You don’t read poetry for the kind of truth that passes for truth in the workaday world. You don’t read a poem to find out how you get to Twenty-fourth Street, zegt dichter Mark Strand. De vraag is voor wat voor soort waarheid je poëzie dan wel leest. De waarheid die in poëzie verborgen zit, wordt weleens ‘dieper’ en ‘belangrijker’ genoemd dan de waarheden die wetenschap verkondigt, zoals door Sharlow in zijn Poetry’s Secret Truth:

Some people believe that poetry can help the mind to grasp the true nature of things — that poetic experience can produce a deeper contact with reality, and a more complete view of reality, than can ordinary experience.

 

Wat mij hier interesseert, is niet of poëzie inderdaad belangrijkere waarheden bezit dan wetenschap, maar waarom er gezegd wordt dat dat zo is en wat ermee wordt bedoeld. Het is namelijk opvallend dat er niet zozeer wordt geargumenteerd dat poëzie weliswaar geen waarheden bevat maar toch waardevol is, maar juist dat poëzie waardevol is omdat ze waarheden bevat die niet te karakteriseren vallen aan de hand van T-zinnen. (n.v.d.r.: een T-zin is bijvoorbeeld: ‘Sneeuw is wit’ is waar als en slechts als sneeuw wit is.)

Een van de vroegste verkondigers van het belang van poëtische waarheid is Aristoteles, die een onderscheid maakte tussen poëtische en historische waarheid en aan de eerste meer waarde toekende dan aan de tweede:

Uit het bovenstaande blijkt voorts dat het niet de specifieke taak van de dichter is te spreken van gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden, maar van dingen die zodanig zijn dat ze zouden kunnen gebeuren, ik bedoel: van wat mogelijk is volgens de waarschijnlijkheid of noodzakelijkheid. Want de dichter verschilt niet van de geschiedschrijver doordat hij zich uitdrukt in verzen en de ander in proza (het zou immers mogelijk zijn het werk van Herodotus in verzen te zetten en dan zou het evenzeer een geschiedwerk zijn mét versmaat als het dat is zonder versmaten), maar het onderscheid bestaat hierin dat de geschiedschrijver spreekt van gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden, en de dichter van zodanige als zouden kunnen gebeuren. Daarom is poëzie ook filosofischer en serieuzer dan geschiedschrijving, want de poëzie heeft veeleer het algemene tot onderwerp, de geschiedschrijving het bijzondere. En algemeen is: bij wát voor soort van mens past het volgens de waarschijnlijkheid of noodzakelijkheid wát voor soort van dingen te zeggen of te doen? En het algemene is het object waarop de poëzie mikt; daarom geeft zij pas in tweede instantie namen. En het bijzondere is: wat heeft Alcibiades gedaan of meegemaakt?

 

Het belangrijkste verschil tussen historische en poëtische waarheid is voor Aristoteles dus dat poëzie algemene waarheden te vertellen heeft en geschiedschrijving enkel specifieke gebeurtenissen. Poëzie, met andere woorden, zoekt niet naar feitelijkheid. De waarheid van de geschiedschrijvers heeft zich, zoals Hume stelt en Williams met hem, pas bij Thucydides losgerukt van de poëtische waarheid, met het schrift als bondgenoot. Aristoteles bevindt zich inderdaad in een overgangsfase, waarin de poëtische waarheid voor het eerst concurrentie krijgt en het waarheidsspreken van schrijvers de strijd aangaat met dat van sprekers. Net als bij Plato kunnen we hier bij Aristoteles, hoewel hij in vele opzichten duidelijk een schrijvende waarheidsspreker is, een onbehagen terugvinden met het steeds maar toenemende belang van het schrift en het bijbehorende waarheidsspreken, een onbehagen dat zich uit in een (her)waardering van het poëtische waarheidsspreken. In het onderscheid tussen het algemene en het specifieke, waarbij Aristoteles voor het algemene kiest, zien we ook een voorafschaduwing van de strijd die in de 16e eeuw zal leiden tot de wetenschappelijke revolutie, die tussen de aristotelische traditie en de novatores, die, door zich ‘theorie’ toe te eigenen, van ‘feitelijkheid’ de nieuwe waarheid maken.

In de moderne tijd, wanneer het feitelijke waarheidsspreken de overhand neemt, ontstaat er een nieuwe strijd rond ‘waarheid’. Een voorbeeld van een twijfelaar aan de poëtische aanspraak op ‘waarheid’ is William Shakespeare. Zo zegt zijn Theseus in A Midsummer Night’s Dream:

More strange than true: I never may believe
These antique fables, nor these fairy toys.
Lovers and madmen have such seething brains,
Such shaping fantasies, that apprehend
More than cool reason ever comprehends.
The lunatic, the lover and the poet
Are of imagination all compact:
One sees more devils than vast hell can hold,
That is, the madman: the lover, all as frantic,
Sees Helen’s beauty in a brow of Egypt:
The poet’s eye, in fine frenzy rolling,
Doth glance from heaven to earth, from earth to heaven;
And as imagination bodies forth
The forms of things unknown, the poet’s pen
Turns them to shapes and gives to airy nothing
A local habitation and a name.
Such tricks hath strong imagination,
That if it would but apprehend some joy,
It comprehends some bringer of that joy;
Or in the night, imagining some fear,
How easy is a bush supposed a bear!

 

Shakespeare, tijdgenoot van Galilei, kan hier gelezen worden als voorstander van een feitelijke waarheid in de strijd die in zijn tijd, waarin het wetenschappelijk waarheidsspreken langzaam begon te ontluiken, over ‘waarheid’ woedde. Wanneer een eeuw of twee later de wetenschappelijke revolutie zich heeft voltrokken en wetenschappers zich als waarheidssprekers niet meer hoeven te verantwoorden, laait de reactie vanuit de poëtische hoek weer op. De dichter Wordsworth, bijvoorbeeld, grijpt terug naar Aristoteles:

Aristotle, I have been told, hath said, that Poetry is the most philosophic of all writing: it is so: its object is truth, not individual and local, but general, and operative; not standing upon external testimony, but carried alone into the heart by passion; truth which is its own testimony, which gives strength and divinity to the tribunal to which it appeals, and receives them from the same tribunal. Poetry is the image of man and nature.

 

Het monopolie van wetenschappers op ‘waarheid’ dat zich sinds het huwelijk tussen ‘feitelijkheid’ en ‘waarheid’ heeft gemanifesteerd, wordt onderworpen aan poëtische kritiek. Zo zei Werner Herzog, een belangrijke Duitse regisseur: Man is a god when he dreams, but a beggar when he reflects, Facts do not constitute the truth. There is a deeper stratum, en Someone is probably fact-checking this right now. Let them fact-check themselves to death!

De discussie over de vraag wie het (exclusieve) recht heeft op het spreken van waarheid wordt hevig gevoerd en reeds daaruit blijkt dat ‘waarheid’ als bijzonder waardevol wordt gezien. Dat het vooral de poëtische kant is die moet vechten voor haar waarheid, wijst op de alomtegenwoordigheid van het wetenschappelijke denken, dat zo vanzelfsprekend aanspraak maakt op ‘waarheid’ dat het die aanspraak niet meer hoeft te verantwoorden. Opvallend is vervolgens hoe het poëtische spreken zich een waarheid tracht toe te eigenen die sterk doet denken aan de archaïsche waarheid. (n.v.d.r.: archaïsche waarheid of archaïsche alètheia is waarheid die niet tegenovergesteld is aan ‘valsheid’, maar aan ‘vergetelheid’. Iets dus wat niet mag worden vergeten. Jana omschrijft die waarheid ook als een gevecht tegen de vergetelheid: De archaïsche waarheid of alètheia was letterlijk een a-lètheia, een poging om aan de vergetelheid te ontsnappen. Waarheid was dat wat, via individuele menselijke geheugens, als collectief geheugen van generatie op generatie werd doorgegeven. Vanaf de vijfde eeuw voor onze tijdrekening nam het schrift die zware taak van drager van het collectief geheugen meer en meer over, waarbij ‘waarheid’ eigenschappen aannam die typerend zijn voor het dialogisch, kritisch denken dat in een schrifcultuur ontstaat. Dat had een transformatie van het collectieve geheugen als gevolg. Door iets neer te schrijven kan het niet alleen worden bewaard, maar kun je het ook letterlijk ‘van je afschrijven’, waardoor de feitelijke waarheid soms het tegendeel van alètheia tot doel lijkt te hebben. ‘Herinnering’ is door toedoen van het schrift historisch geworden, remembrance in plaats van memory, waardoor het in staat is het herinnerde achter zich te laten.)

 

Tot hier een volledig deel uit Jana’s Masterproef. Verder laat zij ook nog opnieuw Sharlow ruim aan het woord over het subjectieve van een poëtische waarheid:

Poetry, then, can speak the truth – a truth different from the truths of intellect. Poetry is capable of revealing, or pointing to, the rich stratum of the subjective fact that permeates the world in which we live, and that often goes almost entirely unnoticed during our routine, unobservant existence. (Mijn cursivering.)

 

Opvallend is dat Sharlow in zijn omschrijving van de poëtische waarheid de woorden ‘subjectief’ en ‘feit’ combineert, wat een contradictio in terminis lijkt te zijn, aangezien een feit meestal gedefinieerd wordt als iets objectiefs, tegengesteld aan het subjectieve ‘mening’. Sharlow is overigens niet de enige die spreekt over subjectieve feiten. Zo komen bij Minh-Ha de volgende uitspraken voor: Poetry has no restrictions on the range of subjective facts it can explore. Science deliberately restricts its attention to a narrow set of subjective facts, en: Subjective facts are not ‘only in the mind’. They are characteristics of the observer-object couple.

 

Tot slot stelt Jana nog, aangevuld met een citaat van Sharlow: De poëtische waarheid karakteriseert zich dus negatief door zich af te zetten tegen de feitelijke waarheid van de wetenschap. Een positieve invulling vindt ze, al dan niet bewust, in eigenschappen die de archaïsche alètheia karakteriseerden. Zo worden in poëtisch spreken waarheden ontdekt:

The realm of subjective fact that a good poem brings to light includes things of which we normally fail to be aware. Thus, poetry does not only tell the truth; it also tells a secret. The secret is the new realm of experience and feeling that poetry reveals. No one is hiding this ‘secret’ from us. Usually we hide it from ourselves.

 

Conclusie voor de haiku

Mooier dan hoe Sharlow het hier tot slot zei, kunnen we zelf de waarheid én waarde van een haiku niet omschrijven. Ik vertaal dan ook graag in mijn woorden zijn mooie citaat uit zijn Poetry’s Secret Truth:

Het subjectieve feit dat een goed gedicht ons toont, maakt ons bewust van dingen waaraan we normaal voorbijgaan zonder ze op te merken. Een gedicht vertelt dus niet alleen wat waar is, het vertelt ons ook een geheim. En dat geheim biedt ons een nieuwe ervaring. Niemand verbergt het voor ons, we verbergen het gewoonlijk voor onszelf.