Suggereren

Ik ben — zo lijkt het toch — nog lang niet klaar met de studie van de tanshuku als afgeleide, verkorte vorm van de haiku. Het lijkt mij belangrijk dat hij de haiku zoals wij hem doorgaans in het Nederlands schrijven, overtreft in kracht en diepte. En dat moet dan vooral van zijn suggestie komen.

door Geert De Kockere

Eenvoudiger gezegd: de tanshuku moet nog meer dan onze Nederlandse haiku aanzetten tot nadenken en dieper lezen. Hij moet dus in zich een verhaal hebben dat niet wordt verteld, maar wel duidelijk aanwezig is. Het is immers ook niet de bedoeling dat je zomaar gaat gokken of in het wilde weg begint te fantaseren.

De tanshuku moet dus in eerste instantie een mooi stukje tekst zijn, een boeiend beeld schetsen, maar hij moet tegelijk aanvoelen als slechts een scherm, waarachter je moet gaan kijken om nog veel meer te zien. En hij moet ook voldoende duidelijk naar dat meer wijzen.

Om dat te realiseren, mag een tanshuku in onze taal meer dan een haiku ‘afwijken’ van het puur registrerende. Zo kunnen we (het hoeft niet) deze vorm van poëzie tegelijk ook iets dichter bij ons westers aanvoelen van poëtische schoonheid brengen.

Maar die suggestie van iets diepers, van een ruimer verhaal, kan evengoed in de meest kleine en eenvoudige woorden zitten. Woorden die je misschien in eerste instantie niet zou verwachten in zo’n klein stukje tekst (omdat ze zo betekenisloos lijken), maar juist daarom veel kunnen suggereren.

Nog enkele voorbeelden van zulke tanshuku’s:

Een kind likt
aan een schelp.
En geeft zout
een gezicht.

 

Hier zit de suggestie vooral in de laatste twee regels. Het bijkomende verhaal, het extra tafereel, is dan naast het likken het trekken van een gekke bek. Tegelijk kun je dan ook lezen dat de zee zout is en die ‘vieze’ smaak aan de schelp gaf. De suggestie wordt gemaakt door de iet of wat voor haiku ongewone zegging dat iemand zout een gezicht geeft.

En dan in mei
mag ook
de rododendron weer.

 

De suggestie zit hier vooral in het kleine woordje ‘dan’. Want dit suggereert dat er voordien andere dingen waren die ‘mochten’ en de rododendron lang moest wachten. Dat is ook te zien. Al een eind voor het eigenlijke openbloeien, zitten de knoppen paars opgevouwen klaar. Ook dat ‘mogen’ werkt suggererend. Wat is het dat de rododendron dan mag?

Aan zee
heeft de wind
al aan één meeuw
genoeg.

 

Hier is het vooral het woord ‘genoeg’ dat ons uitnodigt om achter het scherm van de tanshuku te kijken. Genoeg voor wat, genoeg om wat te doen?

Mijn oude tol.
En ook wat oud
geronnen bloed.

 

Door twee schijnbaar verschillende zaken in die ene kleine tanshuku samen te brengen, suggereert de dichter een verband. Het is aan de lezer om dat verband te zien, waardoor er een bijkomend verhaal, een tafereel uit het verleden te lezen is.

Samengevat: bij een tanshuku is het dus de kunst om niet alleen een boeiend tafereel in één flits te schetsen én mooi te vertellen, maar tegelijk ook om bijkomende taferelen of verhalen mooi te suggereren.