Boeiend experiment

Je zou het misschien niet meteen denken — omwille van zijn kleine en haast onopvallende karakter —, maar haiku is een zeer dankbare vorm van poëzie om mee te experimenteren, misschien wel de meest dankbare. En niet in het minst omwille van de vele en soms ‘strenge’ regels. Hoe meer regels iets heeft, hoe makkelijker en boeiender het experimenteren wordt. Want is experimenteren niet net afwijken van de regels?

door Geert De Kockere

In het lab van de HAIKUFAB trek ik mij graag terug — bij wijze van spreken dan — om met die haiku te experimenteren en te kijken wat zoiets dan oplevert aan boeiende literatuur en mogelijke nieuwe vormen van poëzie. Zo heb ik een interessant experiment achter de rug. Het idee ontstond om bij abstracte foto’s van Ann Backx over het ijs van het Baikalmeer in Siberië en luchtbellen in dat ijs (opborrelend methaangas) haiku’s te maken voor een haikufotoboek. In eerste instantie wist ik niet zo goed hoe dit aan te pakken. De foto’s lieten immers geen (klassieke) taferelen zien, maar een spel van abstracte lijnen en vormen. En dat terwijl haiku het veeleer van het concrete en vrij anekdotische tafereel moet hebben. Alsof ik een muis met een kater moest verzoenen.

En dus dook ik in mijn hoofd het virtuele HAIKULAB in en zocht naar nieuwe vormen, structuren, invalshoeken, omwentelingen of wat dan ook dat haiku met die foto’s kon verzoenen of leiden tot een boeiend geheel. Want dat was uiteindelijk het doel: een boeiend geheel. De haiku’s moesten niet zo nodig bij de foto’s passen, maar beide samen moesten wel een fris en leuk boek opleveren.

Bovendien worstelde ik wat met het thema: de opwarming van de aarde. Als er iets is waar haiku een hekel aan heeft, dan is het aan betweterij, educatieve vingertjes of moraliteit. Hoe kon ik dan in godsnaam zo’n moreel en hot thema als de opwarming van de aarde combineren met die haiku, die zich altijd zover mogelijk houdt van dergelijke op zich nogal politieke thema’s? Het lab dus!

HERHALING

Een eerste idee om die schijnbare tegenstellingen tussen de aard van haiku en ons opzet te omzeilen, was dat ik met het genre moest spelen. Spel is vaker een element dat een impasse kan doorbreken, dat voor en tegen kan verzoenen, dat een onmogelijk gewaande missie toch kan doen slagen. En daarbij speelt (what’s in a name?) de eenvoud en de gebalde vorm van haiku erg in mijn voordeel. Het is veel makkelijker om met iets kleins en eenvoudigs te spelen, dan met een lange en complexe structuur.

Bijkomende vaststelling: er waren niet zo heel veel foto’s beschikbaar. En toch moest het boek enig volume hebben. Er zou dus voldoende tekst moeten gevonden worden om dat wat op te vangen en het aantal pagina’s zinvol ‘te rekken’. Eén haiku op een bladzijde van 21cm bij 21cm (de grootte van het boek) toont bovendien niet erg gevuld. Doorgaans vind je in een bundel met haiku’s om die reden meerdere haiku’s op één bladzijde.

Via de scheikundige reactie die al deze ‘problemen’ in mijn hoofd veroorzaakten, kwam ik al snel op het idee om elke haiku te herhalen. Het idee ontstond mede door de gewoonte om tijdens het voorlezen van haiku’s elke haiku tweemaal naeen te lezen. Omdat het echte luisteren pas begint als de dichter al een regel verder is. Als hij met andere woorden al bijna klaar is met zijn haiku. Ons gehoor is een vrij ‘lui’ zintuig, veel luier dan ons oog. En dus dient de eerste lezing om een algemene impressie van de haiku te krijgen, waarna een tweede lezing — de toehoorder is inmiddels aandachtig en bewust aan het luisteren — de haiku dieper laat doordringen. Zelf maak ik er bovendien een gewoonte van om tijdens die tweede lezing zo mogelijk de haiku net iets anders voor te lezen. Met andere klemtonen of accenten. Zo tracht ik soms al tijdens het voorlezen een diepere of andere lezing bloot te leggen. En ook dat leek mij een interessant idee om toe te passen op mijn haiku’s over het ijs en de opwarming van de aarde.

De herhaling van elke haiku werd dus een eerste element waarmee ik speelde. En de lichtjes andere, tweede lezing tijdens mijn voordrachten indachtig, paste ik dat ook toe op de geschreven haiku. Enig probleem: je kon dat als lezer in het boek niet horen. En dus moest ik dat hertalen naar het lichtjes inhoudelijk wijzigen van de haiku. En kon ik die ‘herhaling’ misschien ook typografisch suggereren, min of meer laten aanvoelen? Daarvoor plaatste ik de herhaling van de haiku onmiddelijk na de eerste versie, zonder een regel wit ertussen. Maar om toch duidelijk een verschil te laten zien en voelen, zette ik de eerste versie in de normale zetwijze van het font (een heel eenvoudige, schreefloze letter) en de herhaling in de lightversie van het font. Zo kwam die herhaling ook typografisch als een herhaling over, een soort echo haast van de hoofdversie van de haiku. En je zag meteen duidelijk het verschil tussen de beide, ook al plakten ze aan elkaar. In de herhaling veranderde ik inhoudelijk een klein detail, wat dan min of meer overeenkwam met de lichtjes andere intonatie tijdens het voorlezen.

Een voorbeeld van een bladspiegel uit IJs tijd.

Zo begon ik dus aan het boek: met een stevig en doordacht concept, dat zijn wortels, zijn blauwdruk had in de traditie van het voorlezen van haiku. Ik hou immers niet van blinde experimenten die al snel uitdraaien in het experimenteren om te experimenteren. Het experiment moet de poëzie dienen en niet andersom. Het eerste haikuduet ging dan als volgt:

Wij, ondergesneeuwd.
En wijl we dampend dooien,
een sneeuwman rollen.
Wij, ondergesneeuwd.
En wijl we dampend dooien,
de sneeuwman gerold …

Bij het inhoudelijk bedenken van de haiku trachtte ik mij om te beginnen ver van het moraliserende vingertje te houden en de hete aardappel van het thema vooralsnog even voor mij uit te schuiven: de opwarming. Ik probeerde eerder bij de ware aard van de haiku aan te sluiten: een simpel tafereel, een anekdotische waarneming. Alleen de sneeuw verwees dus naar het thema. En in de herhaling speelde ik met de dubbele betekenis van ‘iets rollen’, ook zo typisch voor haiku, waardoor het thema zich misschien al van heel ver aankondigde. Want wat zou dat kunnen betekenen, een sneeuwman die gerold is?

HAKEN

Ik gloeide van het experimenteren en was al best tevreden met wat ik voelde. Zo kon het wel iets boeiends worden, dacht ik. Maar was dit vol te houden? En vooral: was dit voldoende boeiend vol te houden? Het mocht niet op een makkelijk toe te passen ‘systeempje’ of trucje gaan lijken en moest spannend blijven. Je mocht als lezer niet na een paar bladzijden al het gevoel hebben dat je die tweede, herhalende versie zelf kon verzinnen. En hoe bracht ik een eenheid in het geheel? Als ik op elke bladzijde een andere haiku met zijn herhaling bracht, zou het dan niet te veel een losse verzameling haiku’s worden? Te vrijblijvend? Moest ik niet op zoek gaan naar een ruimer verhaal, een grotere vertelling, een samenhang tussen alle haiku’s? De foto’s stonden los van de haiku’s. Alleen het thema hadden ze gemeen: ijs, koude, sneeuw … Die zou ik bijgevolg eerder tussenin, bij wijze van pauze of sfeerschepping laten verschijnen, zonder tekst erbij. Foto’s dus afgewisseld met haikuduetten. Maar hoe bond ik alles? Hoe bekwam ik een gevoel van een geheel?

Ik had een goede dag in het lab en bedacht dat ik de haiku’s misschien in elkaar kon laten haken. Van de eerste tot de laatste. Alsof de tweede een vervolg was van de eerste, de derde van de tweede. Enzoverder. Zo kwam het geheel dan misschien over als één groot verhaal, één groot gedicht, bestaande uit haikuduetten die perfect als losse, zelfstandige haiku’s konden bestaan, maar toch samen een verhaal vertelden. Zou dat mogelijk zijn? Dat ‘haken’ wilde ik realiseren door elke nieuwe haiku te laten beginnen met de laatste regel van de vorige haiku. En dus experimenteerde ik en schreef ik als tweede haiku:

Een sneeuwman rollen.
Weten dat hij zal buigen,
sneller dan voorheen.

Ik besloot daarbij om geen rekening te houden met de tweede herhalende versie van elke haiku, zijn echo. Dat was slechts een herhaling, weliswaar met een lichtjes andere inhoud, maar toch ‘slechts’ een herhaling. Ik concentreerde mij voor het haken dus op elke eerste versie van iedere haiku. De eerste en tweede haiku na elkaar gelezen gaf dan dit:

Wij, ondergesneeuwd.
En wijl we dampend dooien,
een sneeuwman rollen.

Een sneeuwman rollen.
Weten dat hij zal buigen,
sneller dan voorheen.

En ja hoor, ik kreeg stilaan het gevoel dat ik op die manier op haikuiaanse wijze een verhaal zou kunnen vertellen over de opwarming van de aarde, een verhaal bovendien waarin ik heel langzaam, zonder dat het misschien opviel, toch een vingertje zou kunnen laten zien, nee, eerder voelen. Via dat trage spel van haken — bovendien ook nog onderbroken door elke iet of wat andere herhaling van de haiku, de echo — zou ik misschien toch de moraal van het verhaal kunnen brengen. Op voorwaarde dat de poëzie van de afzonderlijke haiku’s dan ook nog overeind bleef. Ik wilde per se dat elke haiku, los gelezen, ook voldoende zin had en sterk genoeg bleef. Kortom: een hele uitdaging dus, maar heel boeiend als experiment. En zo ging ik aan de slag. Het vonkte en knetterde, het gloeide en dampte in het lab van de HAIKUFAB.

VERDIEPING

Naarmate ik op die manier meer haikuduetten schreef, werd ik er mij steeds meer van bewust dat die tweede, herhalende versie (de echo) met slechts een kleine wijziging algauw voorspelbaar dreigde te worden. En dat wilde ik koste wat het kost vermijden. Want dat zou het geheel en vooral de kracht van het geheel sterk ondermijnen en te veel een spel om het spel worden. Ik werd er mij dus snel van bewust dat ik niet zomaar, vrijblijvend, de eerste versie van elke haiku kon herhalen met slechts één kleine wijziging. Zo kwam ik op het idee om de verandering in de herhalende haiku te laten groeien en wel zodanig dat het op bepaalde momenten een haast heel andere haiku werd, terwijl je hem toch nog duidelijk als een ‘herhaling’, een echo zou kunnen ervaren. Door de woordkeuze, door de structuur, door de symmetrie van de beelden. Zo kon ik het duet tegelijk ook een zekere verdieping geven. Bijvoorbeeld:

Sneller dan voorheen
smelten onze ijsblokjes.
Mijn picon lengt aan.
Sneller dan voorheen
smelten onze ijsbergen.
Zeeën lengen aan.

Meteen ‘ontdekte’ ik dat ik op die manier ook iets makkelijker nog het vingertje, de moraal kon laten zien. Door die herhalende versie iets actueler, iets ‘politieker’ te maken. En gezien het slechts de echo was van de eerste en die bovendien typografisch ook in een light stond, viel het wat minder op. Het was ‘slechts’ de echo. Nog een voorbeeld:

Wij, bedervend vlees;
in dobberende bootjes
samen op de vlucht.
Wij, bedorven vlees;
en dobberende botjes
die uiteendrijven.

Nog eentje:

Een ijsbeer verdrinkt.
Op een drijvend restje ijs,
een jong dat toekijkt.
IJsbeer verdronken.
Op een drijvend restje ijs
verhongert een jong.

Of een variant op de ‘witte kerst’ en de verdoken vraag of we nog wel ‘witte kersten’ zullen hebben:

En nog wit de kerst.
Maar zie, de kerststal lekt al.
Het smelten begon.
Geen witte kerst nu.
En de stal onder water.
Het kind al kletsnat.

Zo kreeg ik nog duidelijk het gevoel van duetten, maar tegelijk waren ze niet echt voorspelbaar en moest je als lezer steeds weer afwachten wat er zou komen, hoe het volgende duet zich zou vormen en ontwikkelen. Op die manier kon ik de spanning in het geheel behouden en er min of meer ook — door de verdieping en het vingertje in de herhalende haiku — een soort verhaal van maken.

Naar het einde van het boek toe bracht ik dan net zoals in het begin de twee versies per duet weer dichter bij elkaar, zodat je het eindigen ook structureel voelde. In het allerlaatste duet trok ik dat zelfs extreem door: de herhaling, de echo, is zo goed als identiek aan de eerste versie van de haiku. Maar toch niet helemaal. Het scheelt twee puntjes. De oorspronkelijke versie eindigt met een punt, de herhaling met drie puntjes. Ook dat zou je als een klein statement kunnen zien. Aan de lezer om het zijn betekenis te geven. Bovendien wilde ik nog haast ongemerkt iets extra’s aan het boek toevoegen. Door onopvallend te eindigen met de regel waarmee ik ook de hele cyclus begon. Met andere woorden: de allerlaatste regel van de allerlaatste haiku is weer de allereerste van de eerste haiku. Je kunt het geheel dus in een loop lezen: l’histoire se répète?

SPELEN

Boeiend aan het geheel is nog dat je ook als lezer met de lezing van het boek kunt gaan spelen en diverse manieren van lezen uitproberen. Je kunt bijvoorbeeld in één keer alle eerste versies van elk haikuduet lezen en hun echo’s negeren. Zo krijg je een duidelijker beeld van het hele verhaal en klinkt dat haken ook meer en frappanter door. Maar je kunt evengoed alleen maar alle herhalingen na elkaar lezen en de oorspronkelijke, eerste versie van de haiku’s negeren. Ook dan krijg je een boeiend geheel van allemaal andere haiku’s die toch nog samenhoren. Maar dan zonder dat haken. Je kunt zelfs — de mogelijkheden zijn heel ruim, experimenteer zelf maar met het lezen — de eerste versie van de eerste haiku lezen, gevolgd door de tweede, herhalende versie van de tweede haiku. Enzoverder.

VORMGEVING

Restte mij nog de vormgeving van het boek. De typo moest strak en mocht behoorlijk groot, vond ik. Ik koos daarom voor een heel eenvoudige, schreefloze letter. Die oogt iets ‘moderner’: de opwarming is van deze tijd. Het font mocht ook symbolisch zijn. Na wat zoeken en uitproberen, kwam ik uit bij de Avenir Next: de volgende toekomst. Tussen een reeks haiku’s volgen dan telkens de foto’s van Ann. De abstractheid ervan past goed bij de sfeer en zorgt voor een pauze tussenin, waardoor de inhoud van de haiku’s even kan bezinken en je als lezer de gelegenheid krijgt om er dieper over door te denken, te mijmeren. Tot slot koos ik ook voor een symbolische papiernaam: Arctic Volume.

IJs tijd dus. Een toch wel bijzonder haikufotoboek en een boeiend experiment met haiku, dat nogmaals aantoont hoe rijk de mogelijkheden van deze vorm van poëzie zijn. Ik zie weinig of geen andere vormen van poëzie waarmee zoiets mogelijk is, zonder dat het een experiment om het experiment lijkt. En tevreden sloot ik in mijn hoofd de deur van het lab.

De cover van IJs tijd met foto’s van Ann Backx.